Twijfelen aan de Werkelijkheid (39)

Posted on November 15, 2021

Een samenleving die het niet langer eens kan worden over de feiten die aan opvattingen en keuzen te grondslag liggen, kan niet meer functioneren. Zo’n samenleving valt uit elkaar. Je ziet het voor je ogen gebeuren en de oplossing weet ik ook niet.

Ilja Leonard Pfeijffer in HP/De Tijd, 11 november 2021

Het niet meer eens kunnen worden over feiten is een hoofdthema van dit feuilleton. We zien dat bij complotgeloof, bij corona ontkenning, bij antivax denken, bij blindheid voor de misdaden van Trump, maar ook bij het transgender-debat in het feminisme.

Gender als taaldaad

Het onderwerp gender laat me niet los, want hoe meer ik erover lees hoe duidelijker het me wordt dat er hier sprake is van werkelijkheidsontkenning op kolossale schaal.

“Gender reality is performative which means, quite simply, that it is real only to the extent that it is performed.” Dit schreef de feministische ideologe Judith Butler in een beroemd geworden en veelgeciteerd essay Performative Acts and Gender Constitution uit 1988. De teller staat intussen op ruim 9300 referenties. Het paper heeft enorm veel invloed gehad, maar wat staat hier nu precies?

Met ‘performative’ verwijst Butler naar de theorie van taalhandelingen van de Britse filosoof J.L. Austin (1911 - 1960), die in zijn boek How to do Things with Words de aandacht vestigt op het feit dat taal niet alleen kan worden gebruikt om de werkelijkheid te beschrijven maar ook om de werkelijkheid te veranderen. “Ik verklaar bij deze u te bevorderen tot doctor” zorgt ervoor dat mijn AIO vanaf dat moment de titel ‘doctor’ mag voeren. Mijn uitspraak maakt van mijn student een doctor, zou je kunnen zeggen. Maar toen de echoscopiste tegen Heleen en mij zei: “Het is een meisjestweeling; kijk maar naar de koffieboontjes die je hier op de echo kunt zien”, was dat ook een performatieve uitspraak? Of bedoelde de echoscopiste gewoon de werkelijkheid te beschrijven? Uiteraard dat laatste. Dat onze kinderen meisjes waren, dat was beslist al werkelijkheid voordat de echoscopiste zei dat het zo was.

“That gender reality is created through sustained social performances means that the very notions of an essential sex, a true or abiding masculinity or femininity, are also constituted as part of the strategy by which the performative aspect of gender is concealed.” Ik geef onmiddellijk toe dat het wollig en ondoordringbaar proza is, en ik vind het ook niet de moeite om dit heel precies te gaan vertalen. Maar hier lijkt toch echt te staan dat wie aanneemt dat sexe essentiëel is, bezig is het performatieve aspect van gender aan het oog te onttrekken. Alweer kullekoek, lijkt me. Butler heeft veel geschreven, en er zijn vast citaten te vinden waarin ze haar eerdere opmerkingen weer ontkent. Ik heb dat allemaal niet gelezen, en ik ga het ook niet doen, want een diepe denker is zij volgens mij niet.

Het Butler-raadsel

Het werkelijke Butler-raadsel is voor mij hoe iemand die zich zo wollig uitdrukt en die in haar opvattingen zo ongenuanceerd is zoveel aanzien kan hebben. Zijn het de moeilijke woorden? Is het de stortvloed van intimiderende verwijzingen naar filosofen zoals Austin, Kripke, Mead, Althusser, Foucault, Merleau-Ponty, Lacan, Derrida en vele anderen? Is het de hoogdravende en hermetische stijl? Is het de rol die Butler heeft gespeeld in de emancipatiestrijd van vrouwen, waardoor kritiek op haar zou kunnen worden opgevat als reactionair? Heeft ze haar aanzien wellicht te danken aan het feit dat ze zo’n agressief en kundig debater is? Het politiseren van het debat over feminisme en trans-activisme is haar handelsmerk. Ze zegt dingen als “The anti-gender ideology is one of the dominant strains of fascism in our times”. Dit is natuurlijk volkomen over the top, maar je zo uitdrukken resoneert wellicht bij activisten die zelf ook niet uitblinken door nuance.

Judith Butler is een typische alfa-intellectueel. Ze leeft in een alfa-wereld van teksten en literatuur; tekst lijkt alles te zijn dat er voor haar toe doet, en toetsing aan de werkelijkheid betekent voor haar vrijwel altijd refereren aan wat anderen hebben geschreven, en vrijwel nooit een beroep op empirisch onderzoek. Ze vertoont trouwens ook alfa-gedrag als debater, met een neiging tot zeer agressieve diskwalificatie van tegenstanders.

Butler’s proza is een exercitie in rhetorica waarin de lezer voortdurend wordt geïntimideerd met quasi-diepzinnigheid. Volkomen terecht kreeg ze in 1998 een prijs voor beroerd academisch proza. Hier is de prijswinnende zin:

The move from a structuralist account in which capital is understood to structure social relations in relatively homologous ways to a view of hegemony in which power relations are subject to repetition, convergence, and rearticulation brought the question of temporality into the thinking of structure, and marked a shift from a form of Althusserian theory that takes structural totalities as theoretical objects to one in which the insights into the contingent possibility of structure inaugurate a renewed conception of hegemony as bound up with the contingent sites and strategies of the rearticulation of power.

Als je dit vertaalt wordt het er heus niet beter op, dus dat laat ik weer even achterwege. In de nominatie-brief voor Butler stond de volgende vileine suggestie:

it’s possibly the anxiety-inducing obscurity of such writing that has led Professor Warren Hedges of Southern Oregon University to praise Judith Butler as ‘probably one of the ten smartest people on the planet’.

mogelijkerwijs is het de ongerustheid-veroorzakende duisterheid van dit soort teksten die Professor Warren Hedges van Southern Oregon Universy ertoe bracht om Judith Butler aan te prijzen als ‘waarschijnlijk een van de tien slimste mensen op de planeet.’

Wat is vanzelfsprekend?

Wat ik merkwaardig vind aan het genderactivisme in het algemeen zijn de vanzelfsprekendheden die bij nader inzien helemaal niet vanzelfsprekend zijn. Waarom spreekt het bij voorbeeld vanzelf dat de belangen van de gay community samenvallen van die van de transgenders? Het zou toch kunnen dat er belangentegenstellingen zijn? Maar alle LGB belangengroepen die vinden dat LGB betrekking heeft op sekse worden door transgender activisten transfoob genoemd. Feministes die suggereren dat er vrouwenbelangen zouden kunnen zijn die niet met de belangen van transgenders samenvallen worden uitgescholden voor TERF (Trans Exclusionary Radical Feminist).

TERF was misschien ooit een quasi-neutrale term, maar het wordt nu gebruikt als scheldwoord om tegenstanders de mond te snoeren. Vergelijk RINO (Republican In Name Only), de afkorting die de Trump-fans gebruiken voor Republikeinse tegenstanders van Trump. Zulke etiketten bedenken en vervolgens als scheldwoorden inzetten, het is intussen standaardgereedschap geworden in de kist van kwalijke politieke rhetoriek.

Rowling moest gecancelled, want zij was een TERF. Ik werd door fb vrienden gewezen op een artikel van Jan Kuitenbrouwer waarin ook hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan transfobe uitspraken. Dat artikel zit achter een betaalmuurtje, maar ik kan me voorstellen dat het met de transfobie van Kuitenbrouwer nogal meevalt. Ook de gewoonte om iedereen die het in het genderdebat niet met de orthodoxie eens is te labelen als transfoob is volgens mij een kenmerk van giftige ideologie.

Een vraag die bij het beoordelen van de opvattingen van Kathleen Stock aan de orde is: kun je voor een achtergestelde groep opkomen zonder daarmee tegen een andere achtergestelde groep te zijn? Je zou toch zeggen dat dat moet kunnen?

Wat is een vrouw?

Kunnen we het even hebben over de vraag ‘Wat is een vrouw?’. Er zijn zeer verschillende filosofische opvattingen over begripsdefinities. In de Middeleeuwen was dit onderdeel van de zogenaamde universaliënstrijd, die zeer heftig werd uitgevochten. Realisten vonden dat algemene begrippen of universalia werkelijk bestaan. Nominalisten vonden dat algemene begrippen niet meer zijn dan - altijd gebrekkige - pogingen tot categorisering. Nominalisten moesten uitkijken dat ze niet op de brandstapel terecht kwamen.

De vraag ‘Wat is een vrouw?’ kun je niet afdoen met ‘Vrouw zijn of niet is in laatste instantie een kwestie van zelf-identificatie als vrouw’. Dit is immers circulair: on jezelf te kunnen identificeren als vrouw moet je al weten wat een vrouw is. Vergelijk: een kunstenaar is iemand die zichzelf als kunstenaar beschouwt. Daarmee heb je ‘kunstenaar’ niet gedefinieerd. Je hebt hoogstens reclame gemaakt voor een bepaalde opvatting van kunst.

In de filosofie worden woordenboek-waarheden zoals ‘een stier is een mannelijk rund’ of ‘een os is een gecastreerde stier’ wel analytische waarheden genoemd. Ze geven uitleg over de betekenis van woorden. Wikipedia-waarheden zoals ‘de os is een van de oudste door de mens gebruikte trekdieren’ zijn synthetisch: ze vertellen iets over een begrip dat niet onmiddellijk uit de definitie van dat begrip volgt. Een manier om de twee soorten uitspraken van elkaar te onderscheiden is door je de vraag te stellen of nader onderzoek zou kunnen uitwijzen dat het toch anders ligt. Bij analytische oordelen kan dat eigenlijk niet. Je hoeft alleen het Nederlands te beheersen om te weten dat de uitspraak ‘een os is een gecastreerde stier’ correct is. Bij synthetische oordelen kan het wel. Het zou bij voorbeeld aan het licht kunnen komen dat kamelen of olifanten al veel langer als trekdier worden gebruikt dan ossen, en dan moet het Wikipedia artikel worden herzien.

Hoe zit het nu met ‘Transvrouwen zijn vrouwen’? Even tussendoor: ik snap dat het voor transsexuelen - of transgenders, voor wie de nieuwe terminologie prefereert - cruciaal is om geaccepteerd te worden in het gender waarnaar ze hun transitie hebben gemaakt. Ik snap dat ‘Transvrouwen zijn vrouwen’ en ‘Transmannen zijn mannen’ oproepen tot deze acceptatie, en ik vind die oproep zeer terecht. Ik ben een groot voorstander van de acceptatie van transgenders in hun nieuwe gender. Maar ik vind ook dat we best even mogen stilstaan bij de filosofische status van dit soort uitspraken.

Dus terug naar de vraag: is ‘Transvrouwen zijn vrouwen’ analytisch of synthetisch? Om die vraag te beantwoorden heb je definities nodig. De definitie van ‘transvrouw’ vinden we niet in Van Dale. Maar het lemma ‘transgender’ bestaat wel. Van Dale zegt: ‘persoon met een andere genderidentiteit dan de bij de geboorte (op basis van fysieke geslachtskenmerken) toegewezene’. Van Dale geeft voor vrouw: ‘mens van het vrouwelijk geslacht’. Andere woordenboeken zeggen: ‘volwassen mens van het vrouwelijk geslacht.’ Die definities zijn weinig behulpzaam, want wat is ‘vrouwelijk’? Van Dale: ‘van het geslacht van de vrouwen’. Van het kastje naar de muur en weer terug. Zo komen we er niet, al lijkt het er een beetje op dat ‘transvrouwen zijn vrouwen’ volgens deze definities zeker geen ware analytische uitspraak is. Met hulp van woordenboeken alleen komen we hier immers niet uit.

Toch maar even op Wikipedia kijken dan, bij het lemma vrouw. Wikipedia begint met ‘volwassen mens van het vrouwelijk geslacht’. Dat is kennelijk het analytische stuk. Daarna volgt synthetische info, onder andere deze uitleg:

Het biologisch geslacht is vastgelegd in geslachtschromosomen. Een mens heeft 23 paar chromosomen waarvan een paar geslachtschromosomen (heterosomen) het geslacht bepaalt. Bij een vrouw is het geslachtschromosomenpaar doorgaans XX; bij de man XY.

Een transfobe tekst uit een bolwerk van witte mannen met een opleiding? Misschien. Of misschien toch niet, want dit is synthetische info. En dan zou door nader onderzoek kunnen blijken dat de omschrijving moet worden herzien. De NRC had dit weekend - 13 en 14 november - een verhelderende wetenschapsbijlage over gender waar voor de verandering een keer geen genderactivisten aan het woord kwamen maar artsen, genetici en biologen. Deskundigen dus. Een verademing.

Het mijnenveld van de cultuuroorlog

Gender is onderdeel geworden van een cultuuroorlog (Engels: culture war, Duits: Kulturkampf). Een cultuuroorlog is een strijd om de dominante waarden in een cultuur. Cultuuroorlogen werden in Nederland lange tijd min of meer voorkomen door de verzuiling. En die verzuiling had alles te maken met het feit dat toen Nederland nog een overwegend religieus land was, de verhouding tussen protestanten en katholieken lange tijd min of meer in evenwicht was. Iedere eigen zuil - katholieken, protestanten, socialisten - had zijn eigen cultuur, maar doordat men had afgesproken zich zo weinig mogelijk met elkaar te bemoeien bleef het min of meer vrede.

De aartsbisschop sprak af en toe beleefd met de voorlieden van de socialen, maar de katholieken mochten alleen lid zijn van de eigen katholieke vakbonden. Katholieken vonden eigenlijk dat de morele opvattingen binnen de andere zuilen niet deugden, en bij de andere zuilen was dat ongetwijfeld omgekeerd ook zo. Maar het werd buiten de eigen kring nooit hardop gezegd want er was eigenlijk geen contact. We hadden zelfs allemaal onze eigen universiteiten waar de eigen identiteit verder kon worden versterkt en gekoesterd.

Je had katholieke, protestantse en openbare scholen, elk met hun eigen schoolboeken waar de eigen waarheden over de vaderlandse geschiedenis werden verteld, uit schoolboeken - bij ons - die door de bisschop waren goedgekeurd. Die goedkeuring was te zien aan een nihil obstat (geen bezwaar, met jaartal en naam van de bisschop) en voor schoolboeken met een religieuze inhoud een imprimatur (het mag gedrukt worden). Op mijn katholieke lagere school was er bijvoorbeeld veel aandacht voor de martelaren van Gorcum, negentien katholieke geestelijken die door de watergeuzen waren vermoord. Maar die martelaren bleven ongenoemd op Heleen’s protestantse lagere school.

Van verzuiling naar versnippering

Door de sociale media leven we nu in een tijd van versnippering, het tegendeel van verzuiling. We worden voortdurend geconfronteerd met de geleefde werkelijkheid van anderen. Er is veel contact - al is het dan online - en alles wordt gezegd. Iedereen levert op iedereen commentaar en er is niemand om zorg te dragen voor de gezellige sfeer. Dat de bisschop ons niet meer in het gareel krijgt is misschien maar goed ook, maar het probleem is dat we ons door niemand meer iets laten zeggen. Twitter-stormen zijn aan de orde van de dag. We zijn nu een veel diverser land dan in de tijd van de verzuiling. Dat maakt het samen vaststellen van de feiten waar we onze opvattingen en keuzen op kunnen baseren een stuk lastiger.

Cultuuroorlog en emanciperende minderheden

Wie heeft er belang bij het elkaar verklaren van de cultuuroorlog? Minderheden die zich tekortgedaan voelen, zeker. Voorbeelden van cultuuroorlogen op Nederlandse bodem die door minderheden zijn ontketend zijn het provoprotest, het dolle mina protest, het homohuwelijkdebat, het genderdebat, het zwartepietendebat, en het racismedebat. Bij het homohuwelijk had Nederland de primeur, en dat vervult me met trots, omdat het zoveel stappen voorwaarts is ten opzichte van de katholieke opvatting dat sexuele handelingen enkel zijn toegestaan binnen het huwelijk van man en vrouw, en dan alleen nog mits gericht op voortplanting. Of genderneutrale toiletten in de openbare ruimte (scholen, universiteiten, musea) de oplossing zijn van een werkelijk probleem weet ik eigenlijk niet. Het kan me eerlijk gezegd niet zoveel schelen. Maar groot bezwaar ertegen heb ik ook niet, als het transgenders gelukkig maakt. Met zwarte pieten net zo. Prima als die worden vervangen door roetveegpieten of regenboogpieten, omdat een minderheid ze niet kan verdragen. Maar als witte Nederlander was ik er zelf niet over begonnen. Want zo gaan die dingen.

Cultuuroorlog voeren tegen de werkelijkheid

Maar er zijn ook cultuuroorlogen die een andere rol spelen. Politici hebben in de gaten dat de geleefde realiteit van hun kiezers er meer toe doet dan de objectieve werkelijkheid. De Republikein Glenn Youngkin won in november 2021 op verrassende wijze de race om het gouverneurschap van Virginia. Zijn verkiezingsbelofte: op zijn eerste dag in functie zou hij het onderwijzen van Critical Race Theory (CRT) in zijn staat laten verbieden. Alleen… er wordt op de scholen in Virginia helemaal geen CRT onderwezen. Dit soort cultuuroorlogen gaat niet over de objectieve werkelijkheid maar wordt juist gebruikt om de objectieve werkelijkheid aan het zicht te onttrekken. De Republikeinen in de VS hebben het liever over de gevaren van CRT dan over de ware toedracht rond de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021. Met de ware toedracht rond de 6 januari opstand gaan ze de verkiezingen immers niet winnen.

Een ferm standpunt tegen abortus hoort eigenlijk niet bij de opvatting dat de overheid zich zo weinig mogelijk met de burgers hoort te bemoeien. Hoe komt het dan dat Republikeinse politici in de VS ijveren voor anti-abortuswetgeving, terwijl ze kunnen weten dat abortus verbieden geen abortussen voorkomt maar er alleen voor zorgt dat abortus risicovoller wordt?

Throughout Europe, except for Ireland and Poland, abortion is broadly legal, widely available and safe. The United States legalized abortion nationwide in 1973, in part because of the clear evidence that restrictive laws were not ending abortion but were exacting a significant public health toll, notably on lower-income women who could not travel or pay for safe services. Almost immediately afterward, pregnancy-related deaths and hospitalizations due to complications of unsafe abortion effectively ended.

In heel Europa, behalve in Ierland en Polen, is abortus overwegend legaal, breed toegankelijk, en veilig. De Verenigde Staten heeft abortus op nationale schaal gelegaliseerd in 1973, ten dele vanwege duidelijk bewijs dat beperkende wetten geen eind maakten aan abortus maar een onmiskenbare tol eisten voor de volksgezondheid, met name bij vrouwen met een laag inkomen die niet kunnen reizen of geen geld hebben voor veilige voorzieningen. Bijna onmiddellijk daarna kwam er een einde aan zwangerschap-gerelateerd overlijden en aan ziekenhuisopnames ten gevolge van onveilige abortus.

Dit komt uit een tekst (uit 2009) van het Gutmacher Institute. Intussen is de situatie in Ierland verbeterd en die in Polen precairder geworden. En legale abortus ligt nu ook onder vuur in Hongarije. De tekst maakt duidelijk dat anti-abortus wetgeving niet kan worden verdedigd met een beroep op de werkelijkheid. Het voorkomt geen abortussen en het levert gevaar op voor vrouwen. Er is dus alle reden om de klok niet terug te draaien. De strijd voor veilige en legale abortus is een strijd voor de rechten van vrouwen, in de ouderwetse biologische betekenis. Dit is bij uitstek een belang voor vrouwen, en niet of veel minder een belang van transvrouwen. En opkomen voor dit vrouwenbelang betekent uiteraard niet dat je transfoob bent.

Abortus in de VS willen verbieden is volkomen irrationeel. Waarom pleiten Republikeinse politici er dan toch voor? Omdat ze inspelen op de geleefde realiteit van hun kiezers. Ze hopen misschien dat abortus legaal blijft, maar dat durven ze niet te zeggen. Ze hebben de stemmen van witte evangelische protestanten nodig, en die zijn overwegend fel tegen legale abortus. Om precies dezelfde reden durven ze Trump’s grote leugen niet tegen te spreken. Ze weten heus wel dat Biden nu de rechtmatige president van de VS is. Maar omdat een meerderheid van de Republikeinse achterban de leugen gelooft durven ze deze waarheid niet hardop te belijden. En zo komen ze terecht in een cultuuroorlog tegen de werkelijkheid.

Ook het Bulteriaans denken over sexe en gender lijkt me zo’n gevecht tegen de werkelijkheid. Het verzwakt de feministische beweging omdat het leidt tot onderlinge verkettering en zustertwist. En wat Michel Foucault of Bruno Latour of welke andere post-modernistische of post-structuralistische modieuze Franse alfa-filosoof ook moge beweren, een gevecht tegen de werkelijkheid verlies je uiteindelijk altijd.

Wordt hier vervolgd